Het verlangen naar onsterfelijkheid is er zo lang er mensen zijn. Heeft het te maken met onze existentiële angst voor de dood of met levensdrang? Vast staat dat wij, zoals ieder organisme, zo zijn afgesteld dat we voortdurend ons inwendige milieu in evenwicht en daarmee in leven houden. Maar niet alleen die levensdrift, ook het verval is in ons en in alles wat leeft ingebouwd. Mensen die ouder worden krijgen gebreken en ze bereiken allen een punt waarop ze onvermijdelijk sterven.
Al probeert de medische wetenschap de levensduur van mensen steeds verder op te rekken, veroudering is geen ziekte die behandeld kan worden. Wij worden door medisch ingrijpen ouder, maar uiteindelijk gaan we dood. En dat is maar goed ook, want doorleven met een uitgeleefd, haperend lijf is geen pretje. Nog afgezien van het feit dat het biomedisch verlengen van de menselijke levensduur nogal wat ethische vragen oproept.
Eigenlijk is het geen wonder dat het menselijke streven naar onsterfelijkheid in combinatie met de nadelen van die onsterfelijkheid ook in de literatuur voorkomt. Dat literaire motief vind ik in de mythe van Eos (Aurora), de godin van de dageraad en de Trojaanse prins Tithonos. De onsterfelijke godin Eos is verliefd op de sterfelijke Tithonos. Ze vraagt aan de oppergod Zeus of haar geliefde eeuwig kan blijven leven. Zeus vindt het best en Eos krijgt wat ze vraagt. Hoe dom kun je zijn. Eos had Zeus om de eeuwige jeugd voor haar geliefde moeten vragen. De liefde van een beeldschone godin en een mens is immers ongelijkwaardig. Tithonos is een mens en wordt ouder en ouder. Hij verschrompelt, wordt kreupel en zwak. Op zeker moment roept hij wanhopig: Maak me dood, laat het afgelopen zijn. Maar Zeus is onverbiddelijk: Tithonos gaat niet dood. Jullie redden je maar. Tithonos verandert uiteindelijk in een sprinkhaan.
In een andere mythe krijgt Thanatos (de Dood) van Zeus opdracht om Sisyphus mee te nemen naar de onderwereld. De lepe Sisyphus misleidt Thanatos door hem te vragen of hij wil laten zien hoe zijn handboeien werken. Thanatos vindt dat prima en de listige Sisyphus slaat hem in de boeien. Hierdoor kan er niemand op aarde sterven. Ares (de god van de oorlog) bevrijdt Thanatos, want oorlogen zonder doden leveren hem niks op. Sisyphus eindigt in de onderwereld waar hij veroordeeld is een rotsblok omhoog te rollen.
Niet alleen in mythen, ook in sprookjes vind ik dat streven naar onsterfelijkheid in combinatie met de nadelen daarvan.
In Der Spielhansl bijvoorbeeld. Dat is een onbekend sprookje uit de verzameling van de gebroeders Grimm. Het gaat over Speelhans die dag in dag uit zijn tijd verdoet met gokken en kaartspelen. Hij verspeelt al zijn bezittingen en zijn huis, maar net voordat zijn schuldeisers hem op straat willen zetten komen Jezus en de heilige Petrus langs.
Omdat Speelhans hen in zijn huis laat overnachten, mag hij drie wensen doen. De loze gokker vraagt en krijgt kaarten waarmee hij altijd wint, dobbelstenen waarmee hij nooit verliest en een boom waarin ieder die erin klimt vast blijft zitten totdat Speelhans hem eruit laat.
Speelhans wordt stinkend rijk. Als aan het eind van zijn leven de Dood hem komt halen vraagt hij de Dood peren uit zijn magische boom te plukken. De Dood klimt in de boom en kan er niet meer uit. Speelhans laat de Dood daar jarenlang zitten en in de hele wereld sterft niemand meer. Als de Dood belooft hem te laten leven mag hij uit de boom. Toch sterft Speelhans. Hij komt bij de hemelpoort én ook bij de hellepoort, maar daar willen ze hem niet binnenlaten vanwege zijn gokverslaving. Zijn ziel belandt ten slotte in het vagevuur waar hij de duivels hun bezittingen afhandig maakt met zijn magische kaarten.
Het gegeven van de Dood die vast komt te zitten in een boom vind ik ook in een zestiende-eeuwse klucht, Het esbatement van den appelboom. De hoofdpersoon, Goet Ront, en zijn vrouw Deuchdlijck Betrouwen hebben heel veel pech. Goet Ront is wanhopig, maar Deuchdlijck Betrouwen geeft de moed nog niet op. God zal helpen, gelooft ze en bovendien ze hebben de mooiste appelboom van de buurt. Daar moeten ze van kunnen leven. Vervolgens komt God langs en Goet Ront vraagt hem of hij kan zorgen dat de appelboom het hele jaar door vol vruchten zal zijn en bovendien dat wie in de boom klimt, zal moeten blijven zitten tot Goet Ront hem wil los laten. God willigt beide wensen in en verdwijnt. Na enige tijd komt De Doot die hem wil meenemen. Goet Ront vraagt hem eerst nog een appel te brengen. De Doot wil dat wel doen, klimt in de appelboom en zit vervolgens vast. Ook De Duivel komt langs. Hij krijgt geen klanten meer in de hel, want er sterft niemand meer op aarde. Hij klimt om in de boom om De Doot te bevrijden, maar dan zit hij ook vast. Goet Ront wil De Doot en De Duivel wel vrijlaten als hij nog veertig jaar mag leven en als de Duivel hem niet meer zal verleiden. Het toneelstuk eindigt als Goet Ront heeft gekregen wat hij wil.
Het motief dat de mens de Dood te slim af is, vind ik ook in de roman On borrowed time van de Amerikaanse schrijver Lawrence Edward Watkin (1937). Op dat boek baseerde Paul Osborn in 1938 een toneelstuk met dezelfde titel als de roman.
Het stuk gaat over een oude man Gramps (Grammy) die de Dood (Mr. Brink) in een appelboom vangt. Omdat de Dood vastzit, sterft er niemand meer in de wereld en dat leidt tot grote problemen. Wanneer kleinzoon Pud na een ongeluk dodelijk gewond raakt, wil Gramps hem niet kwijt. Hij laat de Dood los en gaat samen met Pud naar de eeuwigheid waar beiden herenigd worden met Granny.
Ten slotte nog de roman Het verzuim van de dood (2005) van Nobelprijswinnaar José Saramago.
Het boek begint met de zin: De volgende dag ging er niemand dood. De volgende dag, op nieuwjaarsdag, is iedereen blij. Er sterft niemand meer, ook niet de mensen die op oudejaarsavond doodziek waren.
Het duurt niet lang of de problemen dienen zich aan: Begrafenisondernemingen gaan failliet. Verzekeringsmaatschappijen weten zich geen raad met polissen over sterfgevallen. Bejaarden- en verpleeghuizen zijn overvol doordat er wel nieuwe mensen binnenkomen, maar niemand meer weggaat. Families zitten opgescheept met eeuwig lijdende, ongeneeslijke zieken. Stervenden worden in het geheim ’s nachts de grens over gebracht naar een buurland om daar te kunnen overlijden.
De situatie is onhoudbaar en de dood grijpt in. Ze besluit de mensen weer te laten sterven: iedereen die over zeven dagen zal overlijden, krijgt vooraf een paarse brief van de dood op de mat. Maar van zo’n aangekondigde dood worden de mensen niet gelukkig.
Dan verandert de dood zich in een mens en achtervolgt een cellist wiens paarse brief telkens teruggestuurd wordt. De dood is betoverd door de muziek en wordt verliefd op de cellist. De roman eindigt met dezelfde zin waarmee het begon: De volgende dag ging er niemand dood.
Als iemand langer leeft dan verwacht leeft hij in geleende tijd. De term is van toepassing op mensen die een ernstige ziekte of een ongeluk overleven Voor hun is elke dag meegenomen. Eigenlijk leeft ieder mens in geleende tijd, niemand heeft het eeuwige leven en dat is maar goed ook.