Een onsterfelijke geliefde

Kan muziek troosten? Wim Kayzer stelde die vraag aan de pianist Vladimir Ashkenazy in zijn televisieserie Van de Schoonheid en de Troost die in het jaar 2000 werd uitgezonden.

Ashkenazy speelde snotverkouden een gedeelte uit de voorlaatste sonate in As van Beethoven, opus 110, Klagender Gesang. Dat is muziek die – aldus Ashkenazy – de luisteraar op een hoger plan brengt, maar die niet troost als je een geliefd persoon verliest.

De pianist had het over de luisteraar die al dan niet getroost kan worden door muziek. Maar hoe zit dat voor de componist? Hoe was het voor Beethoven die het verdriet om een gestorven geliefde omzette in schoonheid en die in barre omstandigheden poëtische, uitgebalanceerde muziek creëerde? Net als zijn als tijdgenoot Schubert en als zoveel andere kunstenaars was hij in staat zijn verdriet, zijn pijn te sublimeren, op een hoger plan te brengen in een poging een innerlijke balans te herstellen. Ik heb het over de kunst van het verliezen. Ook letterlijk in dit geval! 

Beethoven kende het werk van Goethe goed. Die Leiden des jungen Werther bijvoorbeeld en ook de Bildungsroman Wilhem Meisters Lehrjahre waarin het lied Nur wer die Sehnsucht kennt te vinden is. De tekst van dat lied moet hem hebben aangesproken, want in de jaren 1807/08 gebruikte hij de liedtekst voor vier composities . 

Slechts wie het verlangen kent, 

begrijpt mijn lijden! 

Eenzaam en afgewend van elk verblijden 

zoek ik aan ’t firmament naar gene zijde.

Beethoven had reden om soms wanhopig te zijn. In de eerste plaats was er de toenemende doofheid. Hij was vaak ziek en daarnaast lukte het hem niet de vrouw die hij zijn onsterfelijke geliefde noemde aan zich te binden. 

In 1816 is Beethoven zesenveertig jaar. Hij is somber. Aan een vriend schrijft hij: Doe veel groeten aan uw vrouw. Helaas heb ik er geen. Ik vond slechts één ware, maar ik zal haar nooit kunnen krijgen. De laatste woorden onderstreept hij ‘op zijn Beethovens’. 

Wie is de ferne Geliebte die hij niet kon krijgen en aan wie hij in 1816 de liederencyclus An die ferne Geliebte wijdde? Nogal wat Beethovenbiografen houden het erop dat het Josephine Brunsvik zou kunnen zijn.

De teksten van de liederen uit de cyclus zijn niet van Goethe, maar van een Weense geneeskundestudent. Het is bekend dat Beethoven de tekst naar zijn hand zette door aan het eerste gedicht een extra strofe toe te voegen en door de titel te veranderen. 

Die titel was oorspronkelijk Die entfernte Geliebte. Een verwijderde geliefde werd – wat minder grimmig – een verre liefde. Ik vat het eerste en laatste lied van de cyclus samen:

Auf dem Hügel

De dichter zit op een heuvel en kijkt naar de plek waar hij zijn geliefde voor het eerst ontmoette. Hij lijdt, want hij is gescheiden van haar. Met zijn liederen wil hij gevoelens vanuit zijn hart naar het hart van zijn geliefde vervoeren. Dat is kort samengevat de inhoud van het eerste lied dat zo eindigt:

Denn vor Liebesklang entweichet

Jeder Raum und jede Zeit,

Und ein liebend Herz erreichet

Was ein liebend Herz geweiht!

Want voor de klank van de liefde moeten ruimte en tijd wijken – en een hart dat liefheeft, bereikt dat wat aan een hart dat liefheeft is (toe)gewijd! (Verliefden die bij elkaar horen, komen bij elkaar)

Nimm sie hin denn, diese Lieder

Neem mijn liederen in ontvangst, zegt de dichter in het laatste lied van de cyclus. ’s Avonds bij het licht van zonsondergang zing ik en zing ook jij mijn liederen. Beethoven herhaalt grotendeels de laatste strofe van het eerste lied: 

Dann vor diesen Liedern weichet

Was geschieden uns so weit,

Und ein liebend Herz erreichet

Was ein liebend Herz geweiht.

Dan verdwijnt (de afstand) voor deze liederen die ons tot nu toe’ van elkaar heeft gescheiden- en een hart dat liefheeft, bereikt dat wat aan een een hart dat liefheeft is (toe)gewijd. (Verliefden die bij elkaar horen, komen bij elkaar)

Deze tekst is vermoedelijk geïnspireerd door een passage uit Goethes roman Wilhelm Meister. De hoofdpersoon van die roman, Wilhelm heeft muzikanten en zangers meegenomen naar het huis van zijn eerste, onbereikbare geliefde. Hij zit onder het raam van deze geliefde vrouw 

Uitgestrekt onder de lieflijke sterren had hij het gevoel dat zijn bestaan een gouden droom was.

‘Ook zij hoort deze fluiten,’ zei hij in zijn hart, ‘ze voelt wiens gedachten, wiens liefde deze nacht zo welluidend maakt, ook op afstand zijn wij door deze melodieën verbonden, zoals we dat op elke afstand zijn door de subtiele stemming van de liefde. Ach, twee liefhebbende harten, dat zijn net magneetklokken, wat er in de ene beweegt, beweegt ook de andere, want in beide werkt hetzelfde, één kracht die ze vervult.’

Und ein liebend Herz erreichet, was ein liebend Herz geweiht. 

Die in het lied genoemde verre geliefde, dat moet wel Josphine Brunsvik zijn. Vier jaar daarvoor noemde Beethoven haar overigens zijn onsterfelijke geliefde in een brief die hij haar vanuit een badplaats schreef. De brief die hij waarschijnlijk nooit verstuurd heeft, schreef hij in de zomer van 1812. Eerst een reconstructie:

Josephine Brunsvik

Daarvoor moet ik dertien jaar terug gaan. Als Josephine Brunsvik die van Hongaarse adel is in 1799 met moeder en zus naar Wenen verhuist, komt ze in contact met Beethoven. Ze krijgt pianoles van hem. Beethoven en Josephine worden verliefd, maar de moeder van Josephine wil daar niks van weten. Beethoven heeft geen adellijke titel en ook geen vermogen en kan dus volgens de normen van die tijd onmogelijk haar dochter trouwen. Ze koppelt Josephine aan een graaf. Maar die graaf overlijdt na vijf jaar. Josephine heeft dan inmiddels vier kinderen. Na de dood van de graaf krijgt de relatie met Beethoven weer nieuw leven. In 1805 schrijft Josephine : Mein Herz haben Sie schon längst, lieber Beethoven.Beethoven geeft haar een compositie, zijn Andante favori. Dat had hij ooit (1803) bedoeld had als het middendeel voor de beroemde Waldsteinsonate. ‘Hier is uw andante’, schrijft Beethoven en Josephine zal zeker gecharmeerd zijn geweest van het muziekstuk waar in het basismotief haar eigen naam tot klinken was gebracht. Beethoven was erg gehecht aan het gracieuze pianostuk.

Ook schrijft hij in die periode een lied met een veelbetekenende titel An die Hoffnung (1804).  Oh hoop, laat degene die in stilte lijdt en die door jou opgetild wordt vermoeden dat daar boven een engel zijn tranen telt. Hij draagt het lied op aan Josephine Brunsvik.

Maar er is weinig hoop voor Beethoven. Josephine nam het cadeautje wel aan van Beethoven, ze was zelfs erg vereerd, maar ze wil dat hun relatie geheim zou blijven vanwege haar familie. 

De familie vertrouwt het niet. De jongste zus van Josephine schrijft: ‘Beethoven komt zeer dikwijls en geeft les aan Pep (de koosnaam voor Josephine). Dat is nogal gevaarlijk, moet ik eerlijk bekennen.’ Waarom het gevaarlijk is wordt wel duidelijk uit de verdere correspondentie waarbij de zussen Josephine waarschuwen: ‘Zorg ervoor dat je nooit met hem alleen bent.’ of ‘Maak er een regel van hem nooit alleen te zien.’

De zussen van Josephine en ook de moeder van Josephine doen er alles aan om Beethoven buiten de deur te houden, maar Josephine laat zich niet meer betuttelen. Ze wil op haar eigen manier met haar geliefde omgaan en ze vraagt Beethoven een platonische verhouding aan te gaan: ‘U verdient mijn allerdiepste respect en vertrouwen, mocht u zich hierbij neerleggen (…) Ik houd zielsveel van u en voel me spiritueel met u verbonden. Is het niet mogelijk een dergelijk verbond aan te gaan.’ 

Josephine houdt afstand. Ze beseft dat ze niet kan trouwen met Beethoven. Afgezien van het feit dat ze vermoedelijk in hem niet de ideale stiefvader voor haar vier kinderen ziet, houdt ze afstand omdat ze weet ze dat ze de voogdij over haar kinderen kwijtraakt als ze met Beethoven trouwt. Josephine kan ook – en dat blijkt uit het vervolg van dit verhaal – heel praktisch zijn Er is veel gedoe: ze besluiten elkaar een tijd niet te zien, maar ontmoeten elkaar dan toch wel weer. Uiteindelijk maakt Josephine in 1807 een eind aan de relatie. 

De beiden gaan na 1807 een eigen weg, maar houden elkaar vermoedelijk wel in de gaten. De biografen melden dat Beethoven wat affaires heeft, onder meer met een zekere Bettina Brentano. 

Diezelfde biografen laten zich vaak kritisch uit over het gedrag van Josephine Brunsvik in die periode nadat ze de relatie met Beethoven beëindigd had. Ze noemen haar onnozel en ook een uitgekookte femme fatale of lichtzinnig. Hoe het ook zij, een jaar later (1808) loopt ze in een Zwitserse badplaats tegen een charmante charlatan aan, een Estse baron Von Stackelberg. Ze is binnen de kortste keren zwanger. Het huwelijk met Stackelberg wordt een drama. Er gaat heel veel mis, relationeel en financieel. Ook zijn er schandalen die met hulp van de familie Brunsvik onder het karpet geveegd worden. Josephine is niet opgewassen tegen Stackelberg die haar en haar kinderen terroriseert. Toch komt er eind 1810 nog een tweede kind. In dat jaar verliest Josephine het grootste gedeelte van haar vermogen. Haar broer redt haar financieel, maar gaat zelf bijna aan die reddingsoperatie ten onder. Josephines levensverhaal, gebaseerd op documenten, archiefstukken en brieven neemt vaak vormen aan van de verhalen die in de hedendaagse roddelpers niet zouden misstaan.

In juni 1812 verlaat ze haar echtgenoot. Ze vertrekt naar de Tsjechische hoofdstad om wat zaken te regelen. En daar loopt ze de derde juli van dat jaar Beethoven tegen het lijf. Onverwacht. Beethoven had op weg naar Teplitz een paar dagen pauze ingelast in Praag. De beiden hadden elkaar lang niet gezien. Wat er precies gebeurd is, weten we niet, maar uit de hartstochtelijke brief die Beethoven kort na de ontmoeting met Josephine schreef kunnen we afleiden dat het een gepassioneerde ontmoeting was. Die brief is de muzikale geschiedenis ingegaan als Brief an die unsterbliche Geliebte. Het is meer dan aannemelijk dat Beethoven een nacht heeft doorgebracht met Josephine en dat het contact niet zonder gevolgen bleef. Je hoefde maar naar Josephine te wijzen of ze was al zwanger.

Na die liefdesnacht reist Beethoven 4 juli naar de badplaats Teplitz. In die plaats zal hij die zomer ook Goethe ontmoeten. Uit alles blijkt dat Josephine zich realiseert dat het niks kan worden tussen haar en haar geliefde Beethoven. Dat ligt anders voor Beethoven. De hiervoor genoemde brief heeft hij waarschijnlijk nooit verstuurd. 

Het is een in onleesbaar handschrift geschreven brief. Josephine heeft Beethoven een potlood heeft gegeven. Dat potlood is geen ring, maar vermoedelijk wilde ze daarmee aangeven dat ze verder wil met Beethoven. Al gauw moet ze ingezien hebben dat het een opwelling geweest was. Ze moet zich gerealiseerd hebben dat een relatie met Beethoven onmogelijk is. Beethoven dringt er in zijn brief op aan dat ze scheidt van Stackelberg. Hij wil met haar samenwonen en eindigt zijn brief zo: 

Maak je geen zorgen. Alleen door in alle rust ons leven te beschouwen, kunnen we het doel bereiken dat we onszelf stellen, namelijk met elkaar te gaan samenleven. Maak je geen zorgen – hou van me – vandaag – gisteren. Wat een schreiend verlangen naar jou – jou – jou – mijn leven – mijn alles. Het allerbeste. O blijf van me houden. Verloochen nooit het meest trouwe hart van je minnaar

L.

Eeuwig de jouwe

eeuwig de mijne

eeuwig van elkaar.

Josephine reist als de sodemieter terug naar Wenen. Ze weet zo langzamerhand wel hoe vruchtbaar ze is. Ze moet Stackelberg misleiden, immers Stackelberg mag absoluut niet weten dat ze met Beethoven naar bed is geweest. Bewezen overspel betekende dat ze het recht op haar kinderen zou verliezen. Uit de memoires van Josephines oudste zoon blijkt dat ze in die opzet grandioos slaagde. Ze weet Stackelberg de illusie te geven dat hij de trotse vader is van het kind waarvan ze in verwachting is. 

Als Beethoven eind november terugkomt in Wenen moet hij vaststellen dat het huwelijk van Josephine met Stackelberg weer op de rails staat. Niet echt, zoveel is duidelijk, maar toch het lukt haar een modus vivendi te vinden. Beethoven is gebroken. In zijn dagboek schrijft hij: Op deze manier met St (lees Stackelberg) gaat alles te gronde. 

Op 8 april 1813, negen maanden na de nacht van de 3de op de 4de juli 1812, krijgt Josephine een dochter die ze Minona noemt. Vreemde naam. Misschien een opzettelijk anagram van het Duitse woord Anonim, maar de naam kan ook ontleend zijn aan Die Leiden des jungen Werther dat beroemde boek van Goethe over een tragische liefde dat Beethoven en Josephine heel goed kenden. In dat boek leest Werther Lotte voor uit The poems of Ossian en daarin heet een vrouwelijke bard Minona. 

Beethoven weet dat Josephine onbereikbaar is. Hij wil geen ander dan zijn onsterfelijke geliefde en stort zich op het componeren waarbij hij de grenzen van de muziek opzoekt. Het is een verlangen naar Hohe Kunst, naar het maken van een boven het gewone, middelmatige uitstijgend muzikaal kunstwerk. Ik ben alles wat bestaat, wat was, en wat zal worden, noteert een in zichzelf gekeerde Beethoven. In een brief uit 1816 schrijft hij: Doe veel groeten aan uw vrouw. Helaas heb ik er geen. Ik vond slechts één ware, maar ik zal haar nooit kunnen krijgen.

De zus van Josephine schrijft in 1817 in haar dagboek: Wordt Josephine niet gestraft voor het verdriet dat zij Ludwig aandeed? Zijn echtgenote! Wat had zij niet uit deze held kunnen maken! In 1846, als Josephine en Beethoven beiden dood zijn, noteert ze: Beethoven! Het lijkt wel een droom als ik eraan denk dat hij een vriend en vertrouweling van ons gezin was, zo’n hoogstaand man! Waarom nam mijn zuster Josephine hem niet als echtgenoot toen ze weduwe was? Met hem was zij vast gelukkiger geworden dan met Stackelberg. Moederliefde was het, die haar deed besluiten af te zien van haar eigen geluk. 

Na de geboorte van Minona verlaat Josephine Stackelberg opnieuw. Hij komt in 1814 terug om drie kinderen bij Josephine weg te halen en brengt die onder bij een dorpspastoor zonder er verder naar om te kijken. Er is ontzettend veel gedonder om de kinderen. Het levensverhaal van Josephine is een treurig verhaal; het gejojo met de kinderen, de verdachtmakingen van Stackelberg, de passieve houding van haar familie en dan nog de financiële zorgen.

Tot overmaat van ramp weet ze opnieuw een foute man aan zich te binden. Ze moet maanden onderduiken, is voor haar eigen kinderen onvindbaar en blijkt vervolgens zwanger van een achtste kind. De bevalling vindt plaats in een hutje in het Wienerwald.

Veel wijst erop dat Josephine in die moeilijke tijden geregeld contact heeft met Beethoven. Beiden zorgen ervoor dat die ontmoetingen geheim blijven. Josephine gebruikt in die jaren zelfs een pseudoniem en beschikt over een geldig tweede paspoort, zodat ze ongemerkt de stad in en uit kan lopen. 

In 1816 lijkt Beethoven geaccepteerd te hebben dat Josephine een verre geliefde zal blijven. 

Hij neemt afstand van haar met de liederencyclus An die ferne Geliebte. In datzelfde jaar belandt Josephine in een depressie die ze niet meer te boven komt. 

Haar zus schrijft: ‘Het is hartverscheurend om te moeten zien hoe de goede maar ook uitgeputte Josephine aangekleed op haar bed ligt, omgeven door haar drie kinderen. Zij heeft zwakke zenuwen en haar toestand is zo ernstig dat ze vanzelf niet beter zal worden.’

Stackelberg maakt haar het leven zuur, haar materiële toestand is uitzichtloos, haar kinderen zouden haar zelfs ontnomen zijn. Op 31 maart 1821 overlijdt Josephine.

Er is een geromantiseerd verhaal in omloop waarin verteld wordt dat Josephine in afzondering haar laatste adem zou hebben uitgeblazen en dat de familie niet eens de moeite zou hebben genomen haar een laatste rustplaats op een kerkhof te bezorgen. 

Dat verhaal is door een biografe (Tellenbach) in de wereld gebracht en ook Jan Caeyers herhaalt in zijn biografie van Beethoven (2013) nog eens die romantische versie van dat verhaal over het levenseinde van Josephine.

Inmiddels is meer bekend geworden over het overlijden en de begrafenis van Josephine Brunsvik. De begrafenisplechtigheid voor Josephine die stierf aan tbc was in een kerk vlakbij het huis waar ze stierf. De kist met haar stoffelijk overschot werd naar de begraafplaats Währing vervoerd in een koets getrokken door vier paarden 

En Beethoven. Die had Josephine ook financieel gesteund. Hij had nog op 20 december 1820 via een tussenpersoon heel veel geld laten bezorgen aan een niet nader genoemde zieke man tegenover de woning van graaf Deym. Beethoven had dat geld geleend en men vermoedt dat een stroman het geld bij de overburen (Josephine) moest afgeven.

Zes jaar later werd Beethoven op hetzelfde kerkhof als Josephine begraven, maar wel op afstand van zijn onsterfelijke geliefde. De gelieven lagen meer dan tachtig jaar op hetzelfde kerkhof. In de ochtend van de 16de oktober 1909 kwam daar een einde aan. Toen werden de stoffelijke overschotten van Josephine, Victoire, and Friedrich von Deym opgegraven op het Währingse dorpskerkhof en in simpele metalen gelegd. Die kisten werden naar het Franz Joseph Bahnhof gebracht vanwaar ze per trein naar Sudoměřice u Tábora in Bohemen werden vervoerd. 

De sonate in As opus 110

In 1821 is Beethoven vanaf het begin van dat jaar ernstig ziek. In die toestand krijgt hij eind maart het bericht van Josephines overlijden. We kennen geen enkel document, geen brief, geen notitie in zijn conversatieschriften met een reactie op Josephines dood, maar ongetwijfeld heeft haar overlijden grote indruk op de componist gemaakt.

Beethoven neemt muzikaal afscheid van zijn geliefde en schrijft aan het eind van het jaar 1821 de Sonate in As opus 110, een requiem voor Josephine, een afscheid van zijn geliefde. Maar deze compositie is meer. Het is een ook melancholieke liefdesverklaring, een relativering van het eigen verdriet met een meditatief gedeelte, een klaagzang en een poging om de draad weer op te pakken. 

Het is Beethovens manier om zijn verdriet te verzachten door dat verdriet te sublimeren, op een hoger plan te brengen, door het om te vormen tot een prachtige, evenwichtige compositie.

Het eerste deel zou ik een melancholieke liefdesverklaring willen noemen. Ik ga niet zover dat ik in die beginmaten van de sonate die con amabilitá (sanft) gespeeld moeten worden de woorden Liebe Josephine hoor, alhoewel bij Beethoven weet je maar nooit. Op zijn werktafel lag, onder glas een mooi neergeschreven tekst: Geen sterfelijk mens heeft ooit mijn sluier opgelicht. Beethoven verstopte wel vaker boodschappen in zijn composities.

Het tweede deel is een relativering van de liefdesverklaring. Het is alsof de componist gas terugneemt voor het derde deel. Het sluit af met vertragende drieklanken, als een gordijntje dat opwaait in een zacht briesje.

Het derde deel begint meditatief. Na drie maten al volgt een lang recitatief met een overvloed aan aanwijzingen. Er is geen puls meer. Het gaat om de expressiviteit van de noten.  Op zeker moment wordt die expressie bezwerend afgedwongen met maar één toon (a). Beethoven laat niets aan het toeval over. Hij wil met alle middelen de luisteraar in de stemming brengen voor Klagender Gesang. Na de open, barokke afsluiting van het recitatief legt Beethoven de ritmische basis voor zijn Arioso Dolente, zijn Klagender Gesang. 

Klagender Gesang is het belangrijkste deel van de sonate. Het is een muzikale klacht, gestileerde rouw en alles behalve larmoyant.

In Klagender Gesang maakt Beethoven gebruik van een door Bach geschreven lamento (Es ist vollbracht) uit de Johannes Passion. Kan niet, roepen veel musicologen! Mendelssohn rukte de partituren van Bach pas een of twee jaar na Beethovens dood uit bestofte kisten en kasten. Kan wel, roep ik! Niet dat ik het voor honderd procent kan bewijzen, maar het omgekeerde is niet waarschijnlijk. 

Heel veel werken van Bach werden een halve eeuw na zijn dood overal nog gebruikt.  Beethoven kreeg als negenjarig jongetje les van een leraar die uit de Bachstad Leipzig kwam. Die liet hem het Wohltemperierte Klavier spelen. Het is bekend dat Beethovens vader cantates van Bach kopieerde. Als zesentwintigjarige heeft Beethoven in Berlijn bij de Berliner Singakademie werk van Bach gehoord. Daar, in Berlijn, circuleerde veel werk van Bach. We weten niet welke werken van Bach in Berlijn bekend waren voordat ze door Mendelssohn in de schijnwerpers gezet werden. We weten wel dat Beethoven Bach bewonderde en bestudeerde: Nicht Bach, sondern Meer sollte er heissen is een uitspraak van hem. Al in 1808 citeert hij in het eerste deel van zijn derde sonate voor piano en cello Es ist vollbracht. 

Dat muzikale thema dat hij in de Johannes Passion gebruikte, komt overigens nog pregnanter en bijna ‘Beethoviaans uitegwerkt’ voor in Bachs Chromatischen Fantasie und Fuge. Het zou me niet verwonderen als Beethoven dat muziekstuk in zijn jeugd gespeeld heeft. 

In de sonate opus 110 integreert Beethoven de muziek van Bach zowel in het lamento als in de daaropvolgende fuga. 

Want na ‘Klagender Gesang’ volgt een Fuga. Is de fuga een tegenwicht tegenover het lamento? 

Beethoven schreef in een brief (aan Georg Friedrich Treitschke (1814)) dat hij als hij componeert immer das Ganze voor ogen heeft. Een uitspraak die verwant lijkt aan Hegels opvatting als deze uitspreekt dat wat ‘schoon’ is zich presenteert als een geheel, waaruit – als alles klopt – niets weggelaten kan worden en waaraan niets toegevoegd kan worden. Een compositie moet een eenheid zijn en misschien gaf Beethoven dat uitgangspunt in zijn latere werk anders dan voorheen inhoud door zich te baseren op de muziek van Bach. Beethoven bewonderde Bachs Festigkeit en streefde in zijn latere werk ernaar de muzikale taal van de traditie en het uiterst subjectieve van de Romantiek in zijn composities samen te brengen. Daarom heeft hij mogelijk in de sonate in As een heel persoonlijke, emotionele, zangerige klaagzang met een rationele fuga gecombineerd. We weten het niet zeker.

In een traditionele fuga wordt muzikaal materiaal op verschillende manieren gebruikt, maar een fuga vertelt geen verhaal! Beethoven wil juist wél een verhaal vertellen en zet de fuga naar zijn hand door er een poëtisch, verhalend element aan toe te voegen. Daardoor is de fuga in de sonate opus 110 een tegenhanger van de muzikale gedeelten die affecten als lijden, pijn, rouw of woede uitdrukken. Zo combineert Beethoven orde en chaos, verstand en gevoel in eenzelfde evenwichtige compositie.

Er is een tweede verklaring voor Beethovens keuze van de fuga als afsluiting van de sonate in As. Beethoven had Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre zorgvuldig bestudeerd en het is aannemelijk dat hij ook het vervolg op dat boek, Wilhelm Meisters Wanderjahre, gelezen heeft. Dat boek verschijnt uitgerekend in het voorjaar van 1821. Die Sehnsucht verschwindet im Tun und wirken schrijft Goethe in dat laatste boek: verlangen (dat tot niets leidt) verdwijnt als je bezig bent, aan het werk gaat. 

Waar Goethe schrijft: houd je niet bezig met verleden of toekomst, leef en ga aan het werk, lijkt Beethoven te ‘zeggen’: genoeg geklaagd en nou aan het werk en hij voegt aan Klagender Gesang waarin het gevoel de boventoon voert, een fuga toe waarin het hoofd de baas is. Na een vocale eenstemmige klacht is de fuga een meerstemmig in majeur geschreven gedeelte met een geweldige climax. Maar Beethoven breekt zijn fuga af en het Arioso dolente komt terug, Ermattend klagend. Niet lang. Beethoven herneemt zich. De klacht gaat weer over in de fuga en die wordt een romantische hymne. Het lofdicht eindigt met een uitbundig slotakkoord waardoor het poëtische verhaal dat Beethoven met deze sonate vertelt in evenwicht is.

De vraag of het schrijven van deze sonate Beethoven getroost heeft aan het eind van dat moeilijke jaar 1821moet ik onbeantwoord laten.

Deze tekst is een uitgebreide versie van een gedeelte uit mijn boek “De kunst van het Verliezen”.