In De lotgevallen van Klaasje Zevenster, een lijvige roman van Jacob van Lennep wordt op Sint Nicolaasavond een doos met een baby erin bezorgd op een studentenkamer. Zeven studenten en een introducé adopteren het kind (het is een meisje en ze noemen haar Klaasje) Ze spreken af dat ze voor de opvoeding van deze vondeling zorg zullen dragen. Het kind wordt ondergebracht bij een Amsterdams gezin in een negentiende-eeuwse Vogelaarbuurt.
Is dat je traktatie, Gerlof ?
In De lotgevallen van Klaasje Zevenster zijn zeven studenten en een introducé op Sint Nicolaasavond bijeen om een gezellig avondje met elkaar door te brengen. Gerlof Bol, een van de studenten, heeft het dienstmeisje Keetje erop uitgestuurd om bij Pastei de banketletters die hij besteld heeft te halen. De meid komt niet terug. Wel wordt er gebeld en er wordt een vierkante doos met schuifdeksel achter de deur gezet. ‘Hm! ’t is verduiveld zwaar, dat banket: ‘ ik geloof waarachtig dat je voor twintig pond letters besteld hebt’, zegt een van de studenten tegen Gerlof Bol. Als de doos geopend wordt, zijn de acht mannen stomverbaasd. Is dat je traktatie, Gerlof? vraagt een van hen. In de doos ligt een pasgeboren meisje.
De studenten verdenken Bol dat hij een misstap gemaakt heeft en dat de vrouw met wie hij een liefdeshistorietje had hem op deze bijzondere wijze op zijn verantwoordelijkheid wijst: Wie in de wereld zou u uit loutere liefhebberij zulk een cadeautje sturen, indien je er niets meê uitstaande hadt. Goede hemel, zegt Bol, wat komt mij over! mijn uitzichten bedorven, mijn toekomst vernietigd door zulk een schandaal! Wat baat het mij nu, streng van zeden geweest te zijn en onberispelijk van wandel? En welke vreemde zal mij niet als een schijnheilige huichelaar aanzien, wanneer mijn trouwste vrienden, die mij sedert jaren kennen, mij verdenken?
In de negentiende-eeuwse maatschappij waarin de normen en waarden buitengewoon strikt waren, kwam het vaak voor dat kinderen te vondeling werden gelegd.
Geen wonder dat in de literatuur het vondelingmotief nogal eens voor komt. De romanpersonages hebben uiteenlopende redenen om een kind te vondeling te leggen.
De ouders hebben bijvoorbeeld niet de middelen om het kind te voeden of om het groot te brengen.
Ook kan het zijn dat de komst van het kind tot problemen leidt, omdat de vader niet bekend is of omdat deze het kind niet wil erkennen.
Vaak komt het voor dat de familie van de man de vrouw die net een kind heeft gebaard niet accepteert, omdat ze bijvoorbeeld niet tot dezelfde stand hoort.
Wereldberoemde vondelingen als Oedipus, Mozes en Kasper Hauser werden overigens om totaal andere redenen te vondeling gelegd.
Het vondelingmotief is van alle tijden. In een van de abele spelen, Esmoreit komt het voor en Shakespeare gebruikt het in Winter’s tale.
Ook in sprookjes wordt het vondelingmotief gebruikt. Afgezien van het bekende sprookje van Klein Duimpje waarin oudere kinderen gedropt worden door hun ouders, zijn er bij Grimm nog een paar sprookjes te vinden waarin baby’s het zonder ouders moeten stellen. Vondevogel gaat bijvoorbeeld over een vogel die een kind rooft van de moeder. Een houtvester vindt het huilende kind. In De duivel met de drie gouden haren wordt een kind in een doos gestopt en in het water gegooid, opdat het verdrinkt. Dat gebeurt niet. De doos met inhoud wordt door een molenaarsjongen uit het water gehaald. Dit laatste sprookje en ook een tekst van een zeventiende-eeuwse pater Adriaen Poirters komen in de buurt van de Lotgevallen van Klaasje Zevenster.
Adriaan Poirters : Het masker van de Wereldt afgetrocken (1646)
In het verhaal van Poirters willen feestgangers een passerende vrouw een pastei afhandig maken. Het lukt hen haar een pakje af te pakken. Dat pakje is in doeken gewikkeld om iets warm te houden. Later ontdekken ze dat in het pakketje in plaats van een pastei een schoon kindeken zit.
De feestende mannen kunnen de vrouw die ze beroofd hebben niet meer terugvinden. Ze besluiten dat ze de bekostiging voor de opvoeding van het kind op zich moeten nemen. Dat blijkt lucratief te zijn. Als het kind groot is, verdient het veel geld in de handel. Helaas sterft het op jonge leeftijd en het laat voor de vaders 10.000 dukaten achter. Anders dan bij Van Lennep is de vondeling een jongen, maar net als in Klaasje Zevenster besluiten de mannen die een vondeling in een pakketje krijgen voor het kind te zorgen.
Francis Fukuyama schetst in ‘The great disruption’ een beeld van de sociale ontwrichting die in de eerste helft van de negentiende eeuw plaatsvond. De geslaagde vondeling uit de literatuur zou – aldus Fukuyama – symbool kunnen staat voor de burger die zich op eigen kracht een verleden en een toekomst verschaft. Zou dat de reden zijn waarom het vondelingmotief veel voorkomt in de negentiende-eeuwse literatuur. De vondeling staat voor de opkomende negentiende-eeuwse burger, blanco en identiteit-loos als een vondeling. Het oude klassenonderscheid was aan het veranderen. De gewone burgerman kon van een dubbeltje een kwartje worden. De Franse Revolutie had de burgers de illusie bezorgd dat alle mensen gelijk waren en dat iedereen van hogere stand kon zijn.
Negentiende-eeuwse literatuur waarin het vondelingmotief voorkomt
1831 – Victor Hugo: Notre Dame de Paris. Quasimodo wordt als vondeling gevonden voor de deuren van de Notre Dame.
1838 – Charles Dickens: Oliver Twist. Als Oliver Twist in het armenhuis geboren wordt, sterft zijn moeder. De vader is onbekend. Niet echt een vondeling, maar in zekere zin ook wel weer. Van Lennep heeft zich overigens vrijwel zeker laten inspireren door deze roman.
1848 – Georges Sand: François le Champi. Francois is achtergelaten in een Hôpital des enfants trouvés. 1872 – Georges Sand: Nanon heeft haar ouders al heel jong verloren. In beide romans – de laatste gaat niet strikt genomen om een vondeling – vinden de kinderen een beschermer die hen verder brengt. Sand beschrijft vondelingen en weeskinderen niet als slachtoffer. Ze was overtuigd Republikeins en schaart zich aan de zijde van de idealisten die menen dat de staat een belangrijke taak heeft bij het opvoeden van de kinderen. Het kind moet gebruik maken van de mogelijkheden die hem geboden worden. Francois en Nanon grijpen ook hun kansen.
1856 -Waling Dykstra: De silveren rinkelbel. Een Friese klassieker. In dit verhaal wordt een kind van een jaar oud in een pakketje bezorgd.
1878 – Hector Malot: Sans famille. De vondeling, Rémi, vindt na veel avonturen zijn familie weer terug.
1893 – Jules Vernes – P’tit Bonhomme. Een Dickensachtig verhaal. Het verhaal speelt zich af in Ierland. Het is de geschiedenis van een te vondeling gelegd kind die na veel ellende een goede afloop heeft.
1923 – Chris van Abkoude : Kruimeltje. Dit boek hoort eigenlijk nog tot de negentiende-eeuwse verhalen en mag niet ontbreken in het overzicht. Kruimeltje is als baby te vondeling gelegd. Aan het eind van het verhaal vindt hij zijn rijke vader en moeder weer terug.
Het zal je kind maar wezen
In de oudheid werden er in veel culturen pasgeborenen te vondeling gelegd, waarbij het vrijwel zeker was dat ze zouden overlijden. Alhoewel zulke kinderen konden overleven als ze door anderen onder hun hoede werden genomen, werd dit vaak gezien als een vorm van babymoord – zoals bijvoorbeeld in het apologeticum van Tertullianus: het is een erg wrede manier om (een kind) te doden … door het bloot te stellen aan kou, honger en honden.
Ook in de vroege middeleeuwen werden er nog baby’s op deze wijze achtergelaten. Wetten uit die tijd, zoals bijvoorbeeld de Lex Visigothorum, schreven voor dat iemand die zich over zo’n kind had ontfermd het als slaaf mocht behandelen.
Tijdens de middeleeuwen en het ancien régime werden ouders van kinderen die te vondeling gelegd werden, twaalf dagen op een schavot aan het publiek getoond. Daarna werden ze uit de stad verbannen. De vondeling zelf werd op de arm van een dienaar van de armenkamer, begeleid door stadtrompetters, rondgedragen en getoond.
Tot het einde van de 18e eeuw of het ancien régime, gebeurde het nogal eens dat een moeder of een ouderpaar dat om een of andere reden geen kinderen kon onderhouden, het kind bij een kerk of woonhuis neerlegde, in de hoop dat het op tijd gevonden zou worden, en in een betere omgeving zou opgroeien. Het kwam voor dat bij een vondeling een zogenaamd vondelingenbriefje lag waarop naam en eventueel het geloof werden vermeld. Kloosters en hospitalen waren soms voorzien van een vondelingenluikje waarin men een kind kon neerleggen zodat het snel gevonden werd zonder dat de ouders zich bekend hoefden te maken.
In België bepaalde het decreet van 1811 dat in elk arrondissement een vondelingentehuis moest opgericht worden, voorzien van een vondelingenrol of -schuif waarin het kind kon worden gelegd. De bedoeling van de wetgever was om hiermee de vondelingensterfte te beperken en kindermoorden te voorkomen. Wellicht zorgde dit er wel voor dat er minder kinderen werden neergelegd langs openbare wegen of elders met een verhoogde kans dat het kind niet tijdig gevonden werd. Maar de controverse bleef bestaan of men hiermee niet juist de handel in kinderen in de hand werkte.
Van Lenneps bronnen voor het vondelingmotief
In het begin van De lotgevallen van Klaasje Zevenster, als de doos geopend is, spreekt een van de studenten, Van Zirik, over een roman van August Lafontaine: Er is, hernam peinzende Van Zirik, een roman van August Lafontaine, die zo begint; maar daar wordt het kind door een venster gestoken. Goethe kwalificeerde Lafontaine als de fruchtbarsten und furchtbarsten Massenschriftsteller. Van Lennep moet deze schrijver die veel romans schreef waarin het vondelingmotief voor komt, gekend hebben.
Van Lennep beweerde dat hij dat vondelingmotief zelf bedacht had. Dat lijkt niet waarschijnlijk. Dat noteert hij: Ik heb zoo vroeg zoveel werken van anderen gekend, dat ik niet durf te beslissen of ik wel ooit iets oorspronkelijks geleverd heb.
Zeker is dat hij Fieldings The history of Tom Jones, a foundling (1749) kende. Hij noemt het in zijn roman. Misschien is het ook geen toeval dat The history of in het Nederlands te vertalen is met De lotgevallen van. Van Lennep noemt het boek van Fielding zelfs in deel drie van De lotgevallen van Klaasje Zevenster.
Meer dan Tom Jones van Fielding inspireerde een vertelling van Le Francq van Berkhey Van Lennep voor het begin van zijn roman. Dat toonde J.W. Muller al in 1906 aan.
In De Braadpan op Sint Nicolaas Vaatje (1798) van Le Francq van Berkhey wordt een welgestelde Leidse student verliefd op een meisje dat hij van vroeger kent en dat het niet breed heeft. Hij verwekt een kind bij haar, belooft dat hij na zijn promotie met haar zal trouwen, erkent het ongeboren kind als zijn kind en maakt zelfs een testament op waarin hij de aanstaande moeder tot zijn erfgenaam benoemt. Intussen betaalt hij alles wat nodig is voor de kraam.
Twee dagen voor Sinterklaas wordt het kind geboren. Hij moet geld bij elkaar scharrelen. Zijn hospita raadt hem aan een feestje te houden. Hij nodigt vrienden uit, zogenaamd omdat hij zijn kandidaatsexamen (het candidaatsvaatje) heeft gehaald. Als de feestgangers genoeg gedronken hebben, besluiten ze te gaan marodeeren, d.w.z. ze gaan de dienstmeiden die met banket langs de huizen gaan beroven van het Sinterklaasgebak. Twee studentenvrienden komen van die strooptocht terug met een braadpan waarin ze een pasgeboren kind vinden.
De studenten besluiten het kind te adopteren. Ze beloven dat ze vijfentwintig jaar lang wekelijks geld zullen doneren voor de opvoeding van het kind. De hospita die alles bekokstoofde, zegt toe dat ze het kind wel ergens zal onderbrengen. Zij levert het kind (zonder dat de studenten dat door hebben) af bij de echte moeder.
Een jaar later promoveert de verwekker van het kind. Hij heeft bovendien geërfd. Niets staat een huwelijk nog in de weg en hij kan alle vaders gul fêteren.
Van Lennep heeft het oude studentengebruik, het marodeeren weggelaten. Wel laat hij zijn roman beginnen op Sint Nicolaasavond.
Het verhaalgegeven dat Le Francq van Berkhey gebruikte, was volgens diverse bronnen de eerste helft van de negentiende eeuw een geliefd broodjeaapverhaal binnen het Leidse studentenmilieu. Het is waarschijnlijk dat Van Lennep het tijdens zijn studietijd hoorde. Mogelijk hebben persoonlijke motieven ook nog een rol gespeeld. Bekend is dat Van Lennep in 1822 toen hij nog in Leiden studeerde een buitenechtelijk kind bij een adellijke vriendin verwekte. Dat kind werd door een min opgevoed, net als Klaasje in De lotgevallen van Klaasje Zevenster. Heeft die gebeurtenis Van Lenneps fantasie op gang gebracht?