Toms River (2010)

Jaren geleden maakten ik samen met buurtgenoten een praalwagen voor het bevrijdingsfeest in het dorp. We hadden de taken verdeeld en ieder werkte thuis aan een onderdeel voor de wagen. En zo knutselde ik een wegwijzer in elkaar, een paal met twee richtingaanwijzers voorzien van gefiguurzaagde handjes. Op zo’n wegwijzer hoort een vogel. Dat zie je ook in stripverhalen. Daarom had ik uit het biologielokaal van de school waar ik werkte een opgezette buizerd meegenomen. Thuis verwijderde ik het stof dat jaren lang op dat dooie beest terecht gekomen was en zette hem met ijzerdraad en spijkers vast op de paal. Toen de telefoon ging, zette ik de wegwijzer met vogel erop tegen de goot van de schuur en ging naar binnen. Binnen een paar minuten doken zeker tien kraaien doken lawaai makend onophoudelijk op mijn opgezette buizerd. Met hun sterke snavels hadden ze hem al behoorlijk uitgekleed. Ze zagen het opgezette beest als een indringer in hun territorium en hadden niet door dat ze met een dode concurrent te maken hadden. 

Die kraaien hadden niet door dat ze met een opgezette tegenstander van doen hadden. Karel van Mander beschrijft ook iets dergelijks in zijn bekende Schilderboek. Daarin vertelt hij uitgebreid over een schilderij van een geestelijke dat indertijd in een kapel te Gent te vinden was. Van Mander noteert dat naast die geestelijke een grote hond was afgebeeld die zo levensecht geschilderd was dat de honden uit de stad aan hem kwamen snuffelen. 

Dieren zijn dus te misleiden en mensen zijn ook in dit opzicht niet anders dan de beesten. In een monumentaal pand zie ik een prachtige, marmeren schoorsteenmantel. Als ik er met mijn vingerknokkels op klop, blijkt dat de schoorsteenmantel van hout is en dat een vakbekwame schilder het hout heeft gemarmerd. Het menselijk oog kan gemakkelijk misleid worden. Laatst nog dacht ik  ergens een grote  muur met maar één raam erin te zien. Het viel me wel op dat het raam er een beetje vreemd uit zag, maar het duurde wel even  voordat ik door had dat het op een blinde muur geschilderd was.

Sommige kunstenaars zijn virtuoze bedriegers. Zo wist de Italiaanse schilder Giotto zijn leermeester bij de neus te nemen. Toen die even uit zijn atelier was weggelopen, schilderde hij snel een vlieg op de neus van een figuur van het schilderij waaraan zijn patroon werkte. Zijn leermeester kwam terug en wilde verder gaan, zag de vlieg en merkte te laat dat hij dit insect niet kon verjagen. 

Sommige schilders zijn erop uit de kijkers op vele manieren opzettelijk misleiden. Ze kunnen bijvoorbeeld een voorstelling zo schilderen dat de kijker die naar een plat vlak kijkt, denkt naar een drie dimensionaal beeld te kijken. Deze zo genoemde trompe-l’oeilkunst wordt al eeuwen lang beoefend. Afgelopen herfst zag ik een tentoonstelling met meer dan honderd trompe l’oeilschilderijen uit allerlei tijden. Wel wat veel en het was beslist niet zo dat mijn oog door al die schilderijen bedrogen werd.  Na het tweede schilderij  heb je het trucje wel door en is de grap er in zekere zin wel af. 

Een paar weken geleden was ik in het Museo Thyssen Bornemisza in Madrid. Daar liep ik tegen een trompe–l’oeil schilderij aan van een schilder waar ik nog nooit van gehoord had: John Frederick Peto.  Dat schilderij was Toms River. Die titel in combinatie met het afgebeelde intrigeerde me onmiddellijk. Laat ik beginnen te beschrijven wat ik zag. 

 Peto heeft een lijst geschilderd die zijn beste tijd had gehad. Daarachter en ook daarin besloten een oud, verweerd deurtje. Het hangt een beetje klungelig aan één kapot scharnier. Ooit was het deurtje  anders bevestigd. Van dat eerdere hangwerk zijn onder en boven nog sporen over. Peto laat de kijker zien waar het gezeten heeft. 

Hoe is het mogelijk dat zo’n schilderij me boeit, vraag ik me af. Peto schilderde wat oude troep voor zijn stilleven in plaats van een prachtige bos bloemen of een decoratieve schaal met een fraaie, half geschilde citroen. Mooi vind ik dit stilleven niet. Integendeel, wat ik zie is een verveloze houten lijst waarvan het hout onregelmatig verkleurd is. Hier en daar steken er spijkers uit. De schilder is erop uit de kijker te misleiden.  In de eerste plaats door die oude lijst te schilderen, maar ook door bijvoorbeeld die spijkers af te beelden met schaduw en al of door een wit touwtje voor die lijst af te beelden. Het werk krijgt door dit soort schildertrucjes bedrieglijke diepte. Het is zo geschilderd dat de kijker een moment veronderstelt dat hij niet naar een kunstwerk kijkt, maar naar tweedehandse meuk uit de Mamamini. Hij wordt door de kunstenaar op het verkeerde been gezet.  Peto heeft meer trucjes waarmee hij een illusie creëert. Hij schildert stukjes afgescheurd papier die aan spijkers achtergebleven zijn of overblijfselen van papier dat lang geleden op het lijsthout en op de deur geplakt is. Aan de bovenkant van de lijst zien we een plaatje met het cijfer 2 erop. Gesuggereerd wordt dat het enige tijd geleden gedeeltelijk naar beneden is gezakt, want er is een stuk hout zichtbaar dat niet door zonlicht verkleurd is. Het lijkt wel echt, schreven de Amerikaanse kranten toen Peto nog leefde over een ander schilderij. Toch is het trompe l’oeilkunstje van Peto’s schilderij niet zo belangrijk als kunsthistorici menen en het is zeker niet de reden dat ik geboeid ben door het schilderij. De schildertrucjes die Peto gebruikt zijn ook niet zo uniek. Al in de zestiende eeuw worden trompe l’oeilkunstwerken gemaakt met een geschilderde lijst als onderdeel van het schilderij. 

Dat Peto een schilderij maakt waar de dadaïsten meer dan tien jaar later nog van kunnen leren, vind ik opvallend en interessant, maar ook dat is niet de reden waarom dit kunstwerk mij intrigeert. Wat mij boeit is het verhaal dat Peto suggereert, ’t verhaal waar hij mij, de kijker, naar laat raden en dat ik wil weten, vooral omdat ik vermoed dat het een persoonlijk verhaal is. Het verhaal moet te maken hebben met verval en het zal gaan over de dingen die voorbij gaan. Ik vraag me af wat de woorden Toms River op dat krakkemikkige deurtje betekenen en waarom ze zo prominentgeschilderd zijn alsof ze in de deur gekrast zijn. Ook de letters HH  boven, en het jaartal 1905 onder de twee woorden zijn op die manier aangebracht. Zijn die letters de initialen van de man op de foto die scheef aan het deurtje hangt en wat doet die Davidster onder aan de deurpost? Allemaal vragen die me bezig blijven houden als ik uren later buiten het museum achter een glas wijn op een zonnig terras zit. 

Een paar dagen later ga ik thuis op onderzoek. Eerst naar de naam die het schilderij gekregen heeft. Toms River blijkt een middelgrote stad te zijn ten oosten van Philadelphia in de Amerikaanse staat New Jersey. Maar het gaat bij Peto’s schilderij niet om deze stad. De stad ligt aan de meest westelijke punt van een inham van de Atlantische Oceaan en dat water heet ook Toms River. De vijfendertigjarige Peto bouwde in 1889 een groot, houten huis in Queen Anne stijl in het lege land aan de noordkant van Toms River en ging er met zijn vrouw en twee oude tantes wonen. Dat huis is er nog. Op internet vind ik oude foto’s in de Smithsonian Archives of American Art. Peto moet niet onbemiddeld zijn geweest, want het huis is groot en heeft een atelier. De inrichting is ook niet sober. Een beetje Engelse stijl en ook meubilair dat ik ken van televisieseries als de Beverly Hillbillies.  Het huis is gebouwd in Island Heights,  ‘n  plaatsje dat aan het eind van de negentiende eeuw niet zoveel voorstelt. Het is nog geen twintig jaar voor Peto zich daar vestigde door Methodisten gesticht. Peto kan er geld verdienen door cornet te spelen bij hun godsdienstige bijeenkomsten. 

Toms River ligt nog geen halve mijl van het huis. Peto kon vanuit zijn huis de kreek zien en hij moet aan dat water gehecht zijn geweest. Dat blijkt uit foto’s van de schilder die vanuit een bootje aan het vissen is op (een idyllisch ogende  zijstroom van) Toms River. 

John Frederick Peto wordt in 1854 in Philadelphia geboren.  Van zijn vader weten we dat hij vergulder is en later handelaar in schilderijlijsten en het kan zijn dat Peto daardoor al vroeg met de schilderkunst in contact kwam. Nog weer later gaat zijn vader in brandbestrijdingsmateriaal handelen en zo komt de jonge Peto (volgens de berichten kon hij nog maar net lopen) op jonge leeftijd als cornetspeler in de brandweerband van de stad. Opvallend is wel dat hij niet door zijn ouders wordt grootgebracht, maar door zijn oma (de moeder van zijn moeder) en haar vier ongehuwde dochters.  Die tantes hadden kennelijk nogal invloed op Peto. Zij wisten te voorkomen dat hij naar Europa ging. Misschien hebben ze hem wel de financiële middelen verstrekt waarmee hij zijn huis kon bouwen. Hoe dan ook, ze trokken bij de schilder in huis toen  hij van Philadelphia naar Island Heights aan Toms River verhuisde. Over de grootvader is niets te vinden en dat is jammer, want misschien is die wel van belang voor mijn zoektocht. Diens achternaam is namelijk Hoffman Hamm en John Wilmerding, een kunsthistoricus die het werk van Peto bestudeerde, denkt dat de initialen HH en de foto op het schilderij Toms River naar de grootvader van Peto verwijzen. Die grootvader was overigens al overleden toen Peto het schilderij maakte. 

Peto studeert korte tijd (in 1878) aan de kunstacademie van Philadelphia, maar als hij in de jaren daarna werk instuurt voor de jaarlijkse tentoonstelling van de academie noemt men hem toch een autodidact. In zijn academietijd was hij bevriend met de zes jaar oudere William Michael Harnett. Deze trompe l’oeilschilder was zijn grote voorbeeld. Beide schilders maakten stillevens met de zelfde combinaties van voorwerpen, zoals drinkbeker, pijp en krant of bijvoorbeeld inktfles, pen, brief, rekeningen en een stapel boeken. Harnett had veel succes en werd in de eerste helft van de twintigste eeuw beroemd, terwijl toen nog maar weinig mensen naar het werk van Peto omkeken. Een uitgekookte handelaar buitte die situatie uit. Hij zette de handtekening van Harnett op schilderijen van Peto en verdiende met de verkoop van die vals gesigneerde kunstwerken veel geld. Het is verwonderlijk dat het een have eeuw duurde voor het bedrog ontdekt werd, want behalve overeenkomsten zijn er grote verschillen tussen de werken van Harnett en die van Peto. Je zou kunnen zeggen dat de schilderijen van Harnett gelikter zijn, technisch perfecter, realistischer. Harnett’s werk  is traditioneler en dat is ook te zien aan de kleuren die de schilder gebruikt.

Peto schilderde minder realistisch, abstracter, moderner dan Harnett.  In zijn werk zie je niet de gebruikelijke kleurcombinaties. Het licht is een beetje poederachtig. Hij gebruikte warmere kleuren en de afgebeelde voorwerpen zijn afgeleefder, versletener dan de voorwerpen die Harnett afbeeldt. Het grootste verschil is, denk ik,  dat Peto’s werk poëtischer is. Het suggereert een verhaal en vooral in de latere werken is dat een melancholisch verhaal. De trompe l’oeiltechniek was voor Peto zeker geen doel, maar wel een middel om steeds nadrukkelijker duidelijk te maken dat alles voorbij gaat, dat niets stand houdt. 

Zo’n vanitasstilleven is bijvoorbeeld het schilderij  met de titel ‘The cup we all race 4’, een schilderij uit 1900. Een gedeukte metalen mok hangt aan een spijker aan een verveloze deur. Ook de lijst die Peto eromheen geschilderd heeft vanwege de trompe l’oeilmode kan wel een kwastje gebruiken. Wat afgescheurde verkleurde stukjes papier resteren rond spijkertjes waarmee het ooit gaa vast zat aan het hout. Bovenaan lees ik de naam van de schilder. Onder is de inscriptie The cup we all race 4  een beetje woest geschilderd. We moeten allemaal de zelfde gang gaan, lijkt Peto te willen zeggen, uiteindelijk is de (lijdens)beker van het leven leeg en hangt aan een roestige spijker van een verwaarloosde deur. Sic transit gloria mundi.

Op de werken van Peto zien we voorwerpen die gebruikt zijn, versleten of vervallen. Deuren hebben gebroken scharnieren, papier is verscheurd en spijkers zijn verbogen. Foto’s van overledenen versterken de melancholieke stemming van de schilderijen.  Peto gebruikt bijvoorbeeld enkele keren de foto van Abraham Lincoln. Zo’n afbeelding moet enerzijds duidelijk maken dat er ook van grote, door Peto bewonderde staatshoofden niet meer overblijft dan een herinnering. Anderzijds lijkt Peto de illusie te koesteren dat hij de herinnering kan fixeren met zijn schilderijen. 

Het schilderen van stillevens was mode in Amerika aan het eind van de negentiende eeuw. Eigenlijk merkwaardig. Zo stil was het niet buiten de ateliers van de kunstenaars. De burgeroorlog was weliswaar voorbij, maar die oorlog was niet zonder gevolgen gebleven. Veel Amerikanen zaten met een kater en de teneergeslagen, negatieve stemming toen wordt wel eens vergeleken met die van de periode na de Vietnamoorlog. Daar komt bij dat in de tweede helft van de negentiende eeuw de gevolgen  van de industrialisering nogal zichtbaar werden. 

Darwin had ten slotte aangetoond dat de natuur verre van perfect is en dat het koesteren van een pastoraal ideaal op zijn minst naïef is. Desondanks verlangden velen naar de goede oude tijd, toen het leven eenvoudig was, de tijd van de ganzenveer, kandelaars, handgedraaid aardewerk. Peto en ook Harnett leverden die nostalgie. Misschien moeten we het schilderen en het waarderen van stillevens dan ook zien als een vlucht uit de werkelijkheid. 

Peto exposeerde regelmatig toen hij in Philadelphia woonde. De kranten schreven lovend over zijn werk: The work is done so deftly and with such regard for the truth of form, perspective, light and shadow, and all the conditions of realistic art, that the most acute observer is deceived. He does not think  he is inspecting a painting, but believes he sees before him a genuine cardrack with the actual articles inserted. The artist was Mr John F. Peto of Philadelphia, and the work was intended for exhibition at the late World’s Exposition, but was not completed in time.

De journalist waardeert Peto’s schilderij, omdat het nauwelijks van de werkelijkheid te onderscheiden is. Merkwaardige aanbeveling, maar veelzeggend als het gaat om de toen gangbare smaak. Peto had zijn werk niet op tijd af en miste daardoor de boot voor de Wereldtentoonstelling.

Het is bekend dat Peto lang met een schilderij bezig was. Er zijn nogal wat schilderijen die hij niet voltooide.  Zo werkte hij wel twintig jaar aan een schilderij met de titel  Old Souvenirs. In al die jaren voegde hij telkens een souvenir toe aan het schilderij: ’n krant uit 1881, kaarten, een overblijfsel van envelop met het opschrift ‘important information en op het de valreep, na 1900, nog een portret van zijn dochtertje. Al die papieren voorwerpen zijn met spijkers of rood lint vastgehecht aan houten planken, opdat het voor het oog a genuine cardrack is. Niks nieuws overigens, al rond 1500 worden er dit soort brievenborden geschilderd met vrijwel altijd brieven en papiertjes achter een rood lint. 

Peto zette nogal eens eerder afgeronde schilderijen opnieuw op de ezel. Soms werd zo’n schilderij vervangen door een totaal ander.  Zo moest een afbeelding van een oude molen plaats maken voor ‘Lincoln and the Pfleger stretcher’, ‘n schilderij dat erg geliefd is in de Verenigde Staten. Op een site waar reproducties van Peto’s schilderijen te bestellen zijn meldt een koper van een reproductie van Lincoln and the Pfleger Stretcher dat hij erg blij is met zijn nieuwe aanwinst: I love the painting, as it reminds me of my recently deceased wife when she was that age. Rare mensen, die Amerikanen. Ik probeer tevergeefs  me een voorstelling te maken van een vrouw  die moet lijken op dat knullige, ovale portretje van Lincoln.

In 1887 huwt Peto Christine Pearl Smith  en twee jaar later verhuizen de beiden naar  Island Heights in New Jersey. Twee van de tantes die hem hadden opgevoed kwamen inwonen. Zoals gezegd verdiende Peto zijn boterham door cornet te spelen bij religieuze diensten van de Methodisten. Hij bleef schilderen, maar zijn werk werd niet meer geëxposeerd. Af en toe verkocht hij in Island Heights of Toms River een schilderij voor een paar dollar bijvoorbeeld aan zakenlieden of middenstanders. In Island Heights had Peto gained quite a reputation as an artist of no small ability and mot of the homes and clubs in Toms River and Island Heights contain one or more of Mr. Peto’s works of art.  Maar hij verloor het  contact met de kunstscene van Philadelphia. Zijn vriend Harnett overleed in 1892 op betrekkelijk jonge leeftijd aan een nieraandoening en  waarschijnlijk manifesteerde zich rond 1900 bij Peto een chronische nierontsteking. (Ziekte van Bright) Peto had regelmatig hevige pijn aan beide kanten van de rug . Bij die pijnaanvallen moest hij vaak overgeven en hij voelde zich dan koortsig. Zijn dochter herinnerde zich dat ze naar buiten gestuurd werd als de dokter haar vader onderzocht. Ze hoorde hem buiten schreeuwen van de pijn. Peto weet dat hij niet oud zal worden.  In de archieven vind ik twee briefjes. In 1902 schrijft hij: I give to my Daughter Helen my old clock. In the Studio. Vier jaar later ondertekent hij een document met de volgende tekst: I give to my daughter Helen.. my cornet

In die tijd begint één van de inwonende tantes te dementeren. Ze werd vaak opgesloten in haar kamer waar ze rusteloos uren lang met de gesloten deur rammelde. Dat was niet zo goed te combineren met het schilderen van stillevens. Bovendien raakte vanwege deze demente tante ook de  verhouding met zijn vrouw nog eens verstoord. Ten slotte moest Peto de laatste jaren van zijn leven juridische gevechten voeren vanwege de nalatenschap van een overoudtante. Hij behartigde de belangen van zijn moeder en haar zussen. De affaire kostte hem veel energie, maar de zaak werd pas na zijn dood afgerond.

Het is geen wonder dat Peto in zijn laatste jaren schilderijen maakte waar weinig vrolijks in te ontdekken valt. In opdracht van winkeliers of zakenmensen schilderde hij zo genoemde cardracks, schilderijen waarin allerlei voorwerpen zoals kaarten, kranten, enveloppen en bankbiljetten in de trompe-l’oeiltraditie werden afgebeeld. Dat leverde de schilder een klein beetje geld op. In andere schilderijen zoals Toms River projecteerde Peto zijn melancholieke stemming, zijn emoties. Daarom schilderde hij voorwerpen die hun beste tijd gehad hebben, tabak die nagloeit in een pijp, een foto van een overleden familielid, een portret van Abraham Lincoln, afgescheurd papier, verveloos hout, een tweedehands deur met gebroken scharnieren, spijkers die verbogen zijn. De boodschap is duidelijk: alles verdwijnt, alles is sterfelijk. De illusie en de werkelijkheid ineen. Toms River kan niet los gezien worden  van de constante strijd die de schilder leverde met de pijnlijke ziekte waaraan hij leed. Sommige kunsthistorici menen dat de Davidster rechtsonder op het schilderij uitgelegd moet worden als een symbool van het lijden. Dat kan zijn. Peto schilderde die Davidster ook op andere, latere schilderijen met portretten van Abraham Lincoln.  Lincolns tragische dood (Lincoln werd vermoord) moet hem geraakt hebben. 

Peto stierf in 1907, het jaar waarin W.H. Auden, Zara Leander, John Wayne, Frida Kahlo, Bep van Klaveren, Astrid Lindgren en ook mijn vader geboren werden. Peto werd ernstig ziek na een bezoek aan een specialist in het huis van zijn zus in New York, kreeg koorts en overleed. Hij werd overgebracht naar in Island Heights en opgebaard in zijn atelier. In het digitale archief vind ik een plukje donker haar van de schilder. Het is gefotografeerd op een vel papier met de opdruk Archives of American Art. Over het papier verspreid liggen nog enkele losse haartjes. Bij dit laatste stilleven lees ik: nov 26th  1907 Papa’s hair  taken’ as he lay In his casket. In his studio. Minstens zo aandoenlijk is een ‘In Memoriam’,  gemaakt door een zekere Samuel Calan. De tekst is vergezeld van een primitieve tekening van Toms River waarop twee zeilbootjes, huisjes, ’n zonnetje boven iets waarvan ik vermoed dat het een horizon moet verbeelden. Ik blijf hangen bij een zinnetje uit het lange gedicht: He Nature loved , as ev’ry Artist should.