Elsschot: Moeder en Dood

Willem Elsschot is behalve een groot schrijver ook een belangrijk dichter. Het meest bekend werd hij met het gedicht Het huwelijk. Hij schreef ook een paar geweldige gedichten over zijn moeder. Martin van Amerongen wees er al op dat een van die gedichten met als titel Moeder opvallende parallellen heeft met een lied van Schubert dat gebaseerd is op een gedicht van Claudius. Eerst de tekst van Claudius: 

Matthias Claudius: Der Tod und das Mädchen

Das Mädchen:
Vorüber! ach, vorüber!
Geh, wilder Knochenmann!
Ich bin noch jung, geh Lieber!
Und rühre mich nicht an.

Der Tod:
Gib deine Hand, du schön und zart Gebild!
Bin Freund, und komme nicht zu strafen.
Sey gutes Muhts! Ich bin nicht wild,
Sollst sanft in meinen Armen schlafen!

Willem Elsschot: Moeder

Mijn moederke, ik kan het niet verkroppen
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
zoals een pop waarin een hart zou kloppen,
door ’t volk bij ’t heengaan in een huis vergeten.

Ik zie uw knoken door uw kaken steken
en diep uw ogen in het hoofd gedrongen.
En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken,
wanneer gij zegt ‘kom zit aan tafel jongen’.

Ik hoor u ’s avonds aan de muren vragen
of gij de vensters wel hebt toegesloten.
Gij kunt de mist niet uit uw hersens jagen.
Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten.

Daar in de verte wordt een put gegraven;
ik hoor zo goed het ploffen van de kluiten.
En achter ’t huis zie ik een schimmen draven:
hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten.

  • Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder.
  • Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte benen:
    hij is een vriend, een goede vriend, een broeder:
    hij is niet ruw, hij wandelt op de tenen.

Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen.
Gij kunt gerust een onze-vader lezen,
en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen
dat gij geen kou vat en tevree zult wezen.

De dood is een belangrijk gegeven in de liederen van Schubert. In zijn beroemde Gretchen am Spinnrade, in Erlkönig en het meest pregnant in Der Tod und das Mädchen. Maar bij Schubert heeft de Dood niks te maken met straf voor zonden die begaan zijn. De dood is een vertrouweling, hij is iemand die ons troost, iemand die de poorten van een andere wereld ontsluit, zegt Dietrich Fischer-Dieskau en die kent het werk van Schubert op z’n duimpje. Zo spreekt de Dood het stervende meisje toe: Bin Freund und komme nicht zu strafen. Sei guten Muts, ich bin nicht wild, sollst sanft in meinen Armen schlafen…

De parallellen tussen het gedicht van Elsschot en het lied van Schubert zijn opvallend: Sei guten Muts… vrees niet, kindlief… Bin Freund… Hij is een vriend… Ich bin nicht wild… Hij is niet ruw… 

De vraag of Elsschot het lied van Schubert gebaseerd op een gedicht van Claudius gekend heeft is helemaal niet belangrijk. Hij, Schubert en Claudius baseerden zich misschien helemaal niet zo toevallig op een gemeenschappelijk, humaan uitgangspunt en zowel het gedicht van Elsschot als het lied grijpt ons bij de strot.