Ik heb school gegaan in een tijd dat scholieren gedichten uit het hoofd moesten leren. Dat was toen heel gewoon. Na mijn studie ging ik opnieuw naar school, maar nu om les te geven. Inmiddels was geheugentraining ouderwets geworden. Een leraar geschiedenis kon niet meer aankomen met jaartallen en een leraar Nederlands die het waagde zijn leerlingen gedichten uit het hoofd te laten leren werd niet serieus genomen. De school bleef een instituut waar je leerde, maar het aanleren van vaardigheden om kennis te verwerven was belangrijker geworden dan kennisopslag. Deze ontwikkeling kwam in een stroomversnelling door de introductie van het internet. Waarom zou je kennis of ook literaire teksten in je hoofd opslaan als je een laptop of een telefoon onder handbereik hebt? Kennis …die vind je in de digitale wolk.
Wat een misvatting, want als je geen kennis aan boord hebt, kun je helemaal niks opzoeken. Pas als je kent, kun je herkennen. Als je je geheugenopslag goed gevuld hebt, heb je wat te vertellen en kun je gebruikmaken van de kennis die je hebt.
Zonder de in ons geheugen opgeslagen kennis kunnen we niets zegt de dichter Rutger Kopland. Hij vat die vanzelfsprekendheid mooi samen in het gedicht Tijd: Hoe niets zou ons leven (…) zijn zonder de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd. Wat je uit je uit het hoofd geleerd hebt of het nou gedichten zijn, jaartallen dan wel tafels van vermenigvuldiging, het is geestelijke bagage waarover je levenslang kunt beschikken. Wat in je hoofd zit kan niemand je afpakken, schreef ook de dichter Heine.
Voor alle duidelijkheid, je moet kritisch zijn. Ik pleit niet voor het uit hoofd leren van kennis of literatuur waar je niks aan hebt. Ik moest als kind ook een hoop onzin uit het hoofd leren. Vragen en antwoorden van de Katholieke catechismus bijvoorbeeld. Nog steeds weet ik dat ik hier op aarde ben om God te dienen en later gelukkig te worden. Roomse indoctrinatie! Of neem deze strofe uit een waardeloos gedicht dat ik als twaalfjarige in mijn hoofd opsloeg: Een orgel is mijn boekenplank, / de boeken zijn de pijpen. / Ik hoef ze maar te grijpen / en hoor hun milde klank. De leraar Nederlands die mij deze rijmtroep met zo’n foute metafoor uit het hoofd liet leren was een akelige man, een voorbeeld als antivoorbeeld. Toen ik later les ging geven wist ik: zoals hij ga ik het niet doen. Mijn leerlingen hoefden geen gedichten uit het hoofd te leren. Dat vond ik wel jammer en daarom probeerde ik ze soms via een achterdeur over te halen een waardevolle tekst naar binnen te werken. Dat ging zo. Leerlingen die een onvoldoende hadden voor een proefwerk literatuurgeschiedenis konden er bij mij een of twee punten bijverdienen door in de pauze een door mij gekozen gedicht uit het hoofd te declameren. Ik gaf dan een punt voor het memoriseren en een extra punt als het gedicht goed werd voorgedragen. Ze kregen geen gemakkelijk gedichten, wel goede. Bijvoorbeeld Geswinde grijsaart van P.C. Hooft. Zo’n prachtig sonnet declameren leverde hun merkbaar wat op. Zo leerden ze bijvoorbeeld dat je goede gedichten eerst goed moet lezen als je ze goed wil voordragen.
Literatuur is belangrijk en literatuur kan je zelfs redden. Dat gold beslist voor de Joods-Italiaanse schrijver Primo Levi. In de Tweede Wereldoorlog was hij in het concentratiekamp Auschwitz onder onmenselijke omstandigheden te werk gesteld. Samen met zijn maatje, een Fransman die Jean heet en die hij Pikkolo noemt. Hij is hij er slecht aan toe en dan herinnert hij zich de zang van Ulysses uit Dantes Divina Commedia. Betekenisvolle verzen in de beroerde en uitzichtloze omstandigheden waarin hij en Jean zich bevinden. Daarom gaat hij de in zijn geheugen opgeslagen poëzie voor Jean vertalen. Ik citeer uit dat prachtige en huiveringwekkende boek Dit is een mens:
… Wie weet hoe en waarom ik op die gedachte ben gekomen: maar we hebben geen tijd om een keuze te maken, het uur is al geen uur meer. Als Jean intelligent is, zal hij me begrijpen. Hij zal me begrijpen: vandaag voel ik me tot alles in staat.(…) Jean luistert met de grootste aandacht, en ik begin, langzaam en nauwkeurig. Levi probeert de tekst voor Jean te vertalen. Ze praten met elkaar over Dantes tekst. Luister, let op, Pikkolo, zet je oren en je verstand wijd open, je moet het begrijpen:
Bedenk uit welk zaad gij gesproten zijt:
niet om als vee te leven schiep men u,
maar om te reiken naar het hoogste en het beste.
Zijn geheugen laat hem in de steek. Primo Levi is een woord kwijt en schrijft: Ik zou de soep van vandaag ervoor geven om te weten wat er komt tussen ‘non ne avevo alcuna’ en het eind. Ik doe mijn uiterste best het aan de hand van rijmen te reconstrueren, knijp mijn ogen dicht, bijt op mijn vingers: maar het helpt niets. Bijna obsessief vervolgt hij: Het is laat, we zijn al bij de keuken, ik moet het afmaken. (…) Ik houd Pikkolo tegen, het is absoluut, dringend nodig dat hij naar me luistert (…) voor het te laat is, morgen kunnen hij of ik dood zijn, of elkaar nooit meer terugzien. Ik moet het hem uitleggen (…) het waarom van ons lot misschien, van ons hier zijn, nu…
Door de poëzie te reciteren en de betekenis daarvan te bespreken verzet Levi zich tegen zijn kampbeulen die hem en de andere gevangenen behandelen als beesten. Door de betekenis van de poëzie tot zich door te laten dringen kan hij zich al is het maar voor even mens voelen in een omgeving die erop gericht is dat menselijke te vernietigen. Overleeft Primo Levi de Poolse hel dankzij de verzen van Dante? Ja, hij overleeft … al is hij voor het leven getekend.
Desondanks, goede literatuur is het waard goed bestudeerd te worden en het kan geen kwaad poëzie die ons laat reiken naar het hoogste en het beste uit het hoofd te leren. Laat ik het daarbij maar houden.