Afscheid

Een nieuwe onderneming? We weten het nog niet zeker. Geert Schreuder en ik gaan elkaar de komende tijd uitdagen. Geert stuurt mij afbeeldingen van schilderijen waarbij ik teksten ga schrijven. Omgekeerd heb ik Geert een paar teksten geleverd waarmee hij aan de slag gaat. Ons thema: Afscheid.

Geert zond mij een afbeelding van een bushokje in een verlaten Groninger landschap en ik schreef daar een tekst bij :

  1. Als dagen zich vullen met afwezigheid.

‘s Morgens vroeg stopte een bestelauto met een minikraantje op de aanhanger voor haar huis. Twee mannen stapten uit en begonnen na een tijdje te graven bij de bushalte. Het duurde niet lang of de haltepaal lag op de grond bij de plek waar haar zoon meer dan tien jaar geleden in de bus was gestapt. Zou de halte opgeheven worden in deze tijd van bezuinigingen?

Ze had het niet aan zien komen en was werkelijk overrompeld toen haar zoon Klaas een maand na het overlijden van haar man op een dag met zijn koffer naar beneden kwam. Wat ben je van plan? had ze gevraagd. Hij leek het niet te horen, ze kreeg geen antwoord. Hij pakte zijn jas van de kapstok en zei: De bus van kwart voor, ik neem de bus van kwart voor twee. Hij had haar niet aangekeken en het kwam niet bij haar op te vragen waarom hij wegging of waar hij naar toe ging. Nou dag. Dat was het laatste wat hij zij voor hij naar buiten liep. Twee woorden.

Meer dan een half uur stond hij te wachten bij de bushalte. Al die tijd keek ze als verlamd naar haar zoon. Later had ze bedacht dat ze naar buiten had moeten gaan. Dat ze hem niet zo had moeten laten gaan. Hij was in de bus gestapt en vertrokken. Ze had niks meer van hem gehoord. Nu al meer dan tien jaar. Die herinnering aan Klaas bij de halte voor haar huis kwam dagelijks boven drijven en ook het bijbehorende kwellende gevoel van machteloosheid. Telkens weer plaagden haar dezelfde vragen: Waarom was hij vertrokken? Waarom op deze manier? Wat was er in hem omgegaan? Wat had ze niet gezien? Vragen waarop ze misschien nooit antwoord zou krijgen. 

Zeker, ze had gemerkt hoe haar zoon zich na de dood van zijn vader terugtrok. Hij was afwezig en ook afwerend. Ze had geprobeerd met hem in gesprek te komen, maar praten waren ze niet gewend. Geen woord hadden ze gewisseld over die ingrijpende periode van ziekte en dood van haar man, maar ze was ervan overtuigd dat hij diens overlijden niet kon accepteren. Hij had de aangekondigde dood ontkend, niet willen zien. Na de dood van zijn vader vermeed hij haar. Wilde absoluut niet betrokken worden bij de afwikkeling van de begrafenis. Dat stelde haar teleur, maar ze had het niet laten merken. 

Soms dacht ze dat hij het haar kwalijk nam dat zijn vader overleden was. Die gedachte was destijds vaak door haar hoofd gegaan, maar ze had het hem niet durven vragen. 

Nadat hij vertrokken was, voelde ze zich uitgehold en leeg. Bezoek kreeg zij nauwelijks en daar had ze ook geen behoefte aan. Alleen als ze naar het dorp ging om boodschappen te doen sprak ze nog wel eens iemand. Verder niet.

Een zacht zoemend geluid drong tot haar door. Ze zag hoe de mannen een rechthoekig stuk grond uitgroeven met het minikraantje. De graszoden deponeerden ze een voor een op de aanhanger. Daarop legden ze de haltepaal. Toen de bus van kwart voor tien voorbijreed, waren ze blijkbaar klaar, want ze reden het kraantje op de aanhanger en vertrokken. Ze keek naar de bomen, de lucht en het lege land daarachter. Nu zou hier niemand meer uit de bus stappen. Nu was Klaas definitief weg. 

De volgende dag kwam de bestelauto met de mannen weer en er stopte ook een vrachtauto met abri’s van metaal en plexiglas. Een van de bushokjes werd van de vrachtwagen omhoog gehesen en op de uitgegraven plek in de berm gezet. De mannen schepten vulzand vanaf de aanhanger in het glazen wachthokje. Ze waren de hele ochtend bezig tegels te leggen. 

‘s Nachts stopte een bus voor haar huis net maar een passagier in, een man. Die man pakte zijn bagage en liep door het gangpad naar voren. De deur van de bus schoof traag open. Ze zag hem in de deuropening staan. Hij draaide zich om en zei wat tegen de chauffeur. De chauffeur gebaarde en wees naar het bushokje. De man schudde zijn hoofd, liep terug de bus in en ging zitten. Ze probeerde te schreeuwen in een poging om zijn aandacht te trekken, maar er kwam geen geluid. Haar stem deed het niet. De bus reed verder. 

Ze schrok wakker, klam van het zweet. Had ze hem gezien? Was het haar zoon die met de wegrijdende bus verdween in de nacht? Het duurde even voordat ze bij haar positieven was. Ze ging uit bed en liep naar het raam. Buiten lichtte het bushokje op in het bleke maanlicht. Het had geregend. De bomen, stille silhouetten langs de weg, huilden dikke druppels op het plexiglazen dak van het nieuwe wachthuisje. Ze draaide zich om en wist: haar dagen zouden zich blijvend vullen met afwezigheid. 

Wordt vervolgd.