Liefdevolle Etty Hillesum,
Meer dan tweeëntachtig jaar geleden werd u ver weg in Europa vermoord. Wel een beetje vreemd u nu nog een brief te schrijven, maar toch … schrijven is voor mij nadenken en onderzoeken. Door aan de slag te gaan met deze brief zou ik misschien een antwoord kunnen vinden op vragen die zijn blijven hangen bij het lezen van uw dagboeken en brieven. Ik begon met verzameld werk en biografie te bestuderen en las opnieuw hoe u in 1941 hulp zocht bij een charismatische handlezer. U was onzeker, onevenwichtig en soms depressief. Onder zijn invloed werd u voor de tweede keer geboren. Maar wie werd u na die wedergeboorte en wat betekenen die bijna mystieke conversaties die u met God voerde? Ten slotte heb ik me zoals veel van uw vrienden afgevraagd waarom u weloverwogen koos voor de dood door vrijwillig naar kamp Westerbork te gaan. U wist wat er ging gebeuren. Men is op onze totale vernietiging uit, schreef u. Waarom bent u niet gevlucht of ondergedoken? Een vraag die ik vijf jaar geleden ook aan de Russische oppositieleider Navalny had willen stellen. Hij werd vergiftigd en naar een Berlijns ziekenhuis gebracht. Waarom bleef Navalny niet in Berlijn? Hij ging terug naar Moskou, zijn ondergang tegemoet.
Voor u was schrijven eerst zelfonderzoek. Dat blijkt uit het dagboek dat u vanaf maart 1941 bijhield. U wilde uw innerlijke chaos de baas worden. Meedogenloos onderzocht u uw gevoelens en gedachten die alle kanten uitgingen. Dat bracht rust. God was daarbij uw gesprekspartner. Was die God met wie u sprak uw alter ego, het goede in u, een innerlijke kracht of was het de liefde? Die God was het allemaal denk ik bij nader inzien.
U leerde van uzelf te houden en daardoor kwam er ruimte voor anderen. Wel wat veel misschien. Zo wilde u onvoorwaardelijk solidair zijn met uw volk, met de Joden die opgejaagd en afgevoerd werden naar Westerbork. Liefde werd levensbeginsel en haat een negatieve emotie die u niet toeliet. Niet bij uzelf en ook niet bij anderen. Die ongedifferentieerde haat is het ergste wat er is, schreef u. U verzette zich tegen al die krampachtige en geforceerde theorieën van ras, volk enz. maar duldde geen ongenuanceerde uitspraken over Duitsers. Er waren immers ook goede Duitsers. Rilke bijvoorbeeld. In deze tijden van haat zou u de misdaden van Trump, Poetin en Netanyahu verafschuwen, maar u zou ook protesteren tegen mensen die alle Russen, Amerikanen en Israëliërs verfoeien.
Vanaf 1942 schreef u in uw dagboek steeds vaker over de oorlog en ook over kamp Westerbork. U wilde kroniekschrijver zijn. Schrijven werd behalve een daad van verzet ook literaire verslaggeving en een poging om te blijven. In zekere zin bleef u daardoor ook, want u gaf uw dagboek in de zomer van 1943 aan een vriendin in bewaring voor na de oorlog of voor het geval u niet terug zou komen.
De laatste maanden van uw leven was u geïnterneerd in kamp Westerbork. U steunde u uw ouders, uw broer en zoveel mogelijk andere gevangen. Men noemde u een heldin, een heilige en een martelaar; ik noem u een engel, een engel van de laatste troost.

Deze prent is in 1941 gedrukt door de Groningse kunstenaar H.N.Werkman en kreeg de titel “De engel van de laatste troost”. Werkman (die een paar dagen voor de bevrijding werd gefusilleerd) liet zich inspireren door de Chassidische legenden van Martin Buber. Martin Buber was (net als Hannah Arendt) een voorstander van één Arabische-Joodse staat.
Als u een hele nacht moeders met baby’s geholpen had voor ze op transport gingen sloeg de twijfel toe. Wanhopig schreef u dan: we weten toch, dat we onze zieken en weerlozen gaan prijsgeven aan honger, aan hitte en kou en onbeschutheid en verdelging en we kleden ze zelf aan en begeleiden ze naar de kale beestenwagens…
Twijfel en wanhoop horen bij omstandigheden die te groot zijn voor ons mensen. Ook in Gaza zullen hulpverleners van Artsen zonder Grenzen zich soms vertwijfeld afvragen waar ze mee bezig zijn. Maar net als u kunnen zij zich geen twijfel permitteren. Hun werk is te belangrijk.
Want zorgen voor mensen die er slecht aan toe zijn, is betekenisvol. Dat bent u toch met me eens? Zo verwoordt u het: ik heb tussen de barakken, vol opgejaagde en vervolgde mensen (…) de bevestiging gevonden van mijn liefde voor dit leven.
Sterke, liefdevolle vrouw, uw laatste woorden geschreven in een volgepakte beestenwagen naar Auschwitz raken mij. Op de briefkaart die u uit de trein naar dat Poolse filiaal van de hel gooide, lees ik: We hebben zingende dit kamp verlaten. Wat een krachtig signaal, dat zingende protest tegen een moorddadig regime. Waardig en met opgeheven hoofd verliet u kamp Westerbork. Voorvoelde u dat die menselijke waardigheid u in Auschwitz zou worden ontnomen?
Fons van Wanroij