De gekooide God

De roman Het paleis van Wieslaw Mysliwsky (1970) begint met een beschrijving van de naderende oorlog. Uit angst voor het oorlogsgeweld heeft iedereen het landgoed rondom het ‘paleis’ verlaten, Alleen een herder is gebleven. Die dwaalt door de gangen van het verlaten paleis en identificeert zich met de landheer, de edele heer, die in het paleis woonde.

De rest van het boek is een monoloog van die herder. Hij haalt herinneringen op, droomt, fantaseert en filosofeert. De leegte van het paleis spiegelt zich in zijn eenzaamheid. Daarnaast is het boek een aanklacht tegen het standenverschil. De verteller snijdt de meest uiteenlopende onderwerpen aan. Bijvoorbeeld het paradijsverhaal. Mysliwsky geeft in zijn roman een originele interpretatie van dit overbekende verhaal uit Genesis.

In het bijbelverhaal wordt verteld hoe God hemel en aarde met de complete stoffering erbij schiep. Het sluitstuk is de mens, Adam. Die mag wonen in de prachtige tuin van God, een paradijs op aarde. God stelt wel een voorwaarde: je blijft af van de Boom van kennis van goed en kwaad. Vervolgens maakt God uit een van Adams ribben Eva. Dat had hij beter niet kunnen doen. Eva laat zich verleiden door een slang en neemt een vrucht van de verboden boom. dan kan Adam zich ook niet meer beheersen. God is woedend en hij verdrijft de beiden uit de tuin van Eden. Eigen schuld, dikke bult, hadden ze maar moeten luisteren.

Mysliwsky schrijft een prachtig vervolg op dit verhaal. In Het paleis is God een sneue man die alleen achterblijft in zijn paradijs, terwijl de mens van God af is en in vrijheid verder kan leven. In een innerlijke monoloog laat Mislywsky de herder/verteller een denkbeeldige priester toespreken:

Het was tenslotte God die als eerste de mens van Zichzelf bevrijdde. Hij had hem immers uit het paradijs verdreven. Hij heeft hem tot vrijheid veroordeeld, omdat hij niet geschikt zou zijn voor de slavernij waarin hij hem hield. (…) Want het paradijs bleek een kooi te zijn voor de mens. 

Toen God door kreeg dat de mens niet gehoorzaam wilde zijn, verdreef hij hem zodat de mens tenminste Zijn illusies niet zou vernietigen. Hij wendde zich af van Adam en Eva en is alleen achtergebleven. Nu zwerft Hij ongetwijfeld rond in zijn paradijs, treurend en bang om aan Zichzelf toe te geven dat Hij de mens mist. Ik heb met God te doen. (…) Ik heb echt niets tegen God. Ik probeer Hem alleen te begrijpen. 

Niks erfzonde. Adam is blij dat hij van God af is. Bij Misliwsky is God een treurige persoon die in zijn eigen (paradijselijke) gevangenis zit. Iemand die die het niet kan verdragen dat anderen hem niet gehoorzamen. Maar hoe vrij zijn Adam en Eva, hoe vrij zijn mensen nog als ze democratisch kiezen voor slavernij? Waarom aanbidden ze een god, die mysogyn, crimineel en machtsbelust is? Ik heb heel veel tegen die Amerikaanse god en probeer hem niet te begrijpen